SLAP letsel

Een letsel van de aanhechting van de lange bicepspees op het bovenste deel van de schouderpan (“glenoïd”) of van de meniscus (“labrum”) rondom deze aanhechting wordt SLAP-letsel genoemd. De letsels werden eerst beschreven door dokter Andrews bij base ball pitchers en bij andere toppers in de werpsport. Dokter Snyder (Californië) bedacht het letterwoord “SLAP”, of ‘Superior Labrum Anterior to Posterior’ (letsels van het bovenste labrum die zich uitbreiden in voorachterwaartse richting).

 

Klachten

Letsels van het bicepsanker kunnen zich op zeer verschillende manieren voorkomen. De meeste mensen klagen van een diepe stekende pijn in de schouder bij bepaalde bewegingen, meestal boven schouderhoogte, bij werpen of bij kracht zetten boven het hoofd. De pijn kan zich vooraan of eerder achteraan manifesteren. Soms gaat dit gepaard met een ‘klik’ of kraken in de schouder of met het gevoel dat ‘iets verspringt’. Bovenarmse sporters vermelden vaak krachtsverlies bij opslaan, smashen, werpen of bij een zwembeweging. Ze beschrijven een gevoel van zwaarte, alsof de arm tijdelijk lam is (dead arm syndrome).

 

Oorzaken

Vaak zijn dit acute letsels, als gevolg van een plots incident. Een val op uitgestrekte hand met de arm tegen het lichaam vormt het grootste risico voor het oplopen van een SLAP-letsel. Bij een plotse trekkracht op de bicepspees bij bepaalde activiteiten boven het hoofd kan de aanhechting van de biceps eveneens gekwetst worden. Bij ontwrichtingen van de schouder naar voren of naar achteren wordt meestal het voorste of achterste labrum afgescheurd. Soms is ook het bovenste labrum aangetast . We spreken dan van gecombineerde labrum letsels. Bij zeer zware ontwrichtingen kan het volledige labrum losscheuren (“Triple labral lesions”).

Chronische letsels zijn letsels door langdurige abnormale belasting. Bij bepaalde sporten of arbeid wordt de schouder langdurig of herhaaldelijk belast in een abnormale positie.

Vooral geforceerde bewegingen met de arm boven het hoofd en naar achteren gedraaid geven telkens trek- of torsiekrachten op het bicepsanker. Wanneer deze krachten langdurig aanhouden kan het bicepsanker stilaan ‘lospellen’ van het bot. We spreken van ‘peelback-lesions’. Deze letsels worden vaak gezien bij baseball werpers (pitchers); bij ons in Europa komen ze voor bij volleybal, handbal, tennis (service), zwemmers.

 

Behandelingsopties

SLAP-letsels die het gevolg zijn van een acuut incident zullen vaak last blijven geven bij een bovenarmse belasting en bij liggen op de schouder. Een operatieve bevestiging van het losgescheurde anker is dan ook meestal aangewezen.

In geval van chronische tractieletsels bij bovenarmse sporters proberen we in eerste instantie de beweeglijkheid van de schouder te optimaliseren. Vaak is er een belangrijke beperking in inwendige rotatie of draaiing van de bovenarm. Dit kan met een intensieve oefentherapie aangepakt worden. Ook de spieren die het schouderblad stabiliseren moeten vaak geoefend worden om de schouderbladpositie te corrigeren. Slag- en werpbewegingen kunnen onder begeleiding van de kinesitherapeut en de trainer aangepast worden om overmatige tractie of torsie op het bicepsanker te vermijden.

Als dit alles geen verbetering van de klachten teweeg brengt beslissen we tot herbevestigen van het afgescheurde labrum met een kijkoperatie.

 

Nazorg

Na artroscopische fixatie van een SLAP-letsel is een belangrijke periode van revalidatie onder begeleiding van een kinesist noodzakelijk.

Eerst wordt het schoudergewricht tijdelijk in een draagverband gehouden gedurende 3 tot 4 weken. In deze periode willen we vooral het aangehechte labrum zo goed moeilijk op het bot van het glenoïd laten vastgroeien. Te grote trekkrachten zijn in deze fase absoluut te vermijden. Vooral draaibewegingen met de arm naar buiten en achter het hoofd vormen een risico op losscheuren. Anderzijds neigt een schouder na bewegingen in dit bovenste gebied vaak tot verstijving. We raden de patiënt daarom aan om regelmatig de arm uit de draagdoek te halen en naast het lichaam te laten hangen of op de tafel te leggen en voorzichtige glijbewegingen uit te voeren. Dit gebeurt steeds binnen de pijngrenzen. Elleboog, pols en vingers mogen vrij bewogen worden.

Na 4 weken mag het verband uitgelaten worden. We starten met bewegingsoefeningen onder begeleiding van een ervaren kinesist. In de eerste plaats is het herwinnen van een volledige beweeglijkheid naar voren en naar boven toe essentieel. De draaibeweging naar buiten moet nog steeds geleidelijk opgebouwd worden. Er wordt ook gestart met spierversterkende oefeningen van de schouderkap- en schouderbladspieren zonder deze spieren te rekken (isometrische tonificaties).

Pas na het herwinnen van een goede beweeglijkheid starten we met sportspecifieke oefeningen. Het duurt vaak 3 tot 4 maanden alvorens de sporter of arbeider kan terugkeren naar vroegere sport -en arbeidsactiviteiten.

 

Bron: Belgische Vereniging voor Orthopedie en Traumatologie (www.bvot.be)

Terug naar boven