 |
|
Arthroscopisch Bankart Herstel Revalidatie
terug naar overzicht |
 |
| |
| |
| |
Inleiding |
| |
Bij een
arthroscopisch Bankart herstel zal de chirurg het anterieure labrum
arthroscopisch herfixeren op het glenoïed. Zo wordt opnieuw een
stabilisatie bekomen van het schoudergewricht naar voor toe.
Het voordeel van deze arthroscopische techniek is dat de revalidatie
veel sneller verloopt en dat er geen volledige subscapularispees
wordt losgesneden. Daardoor zijn er minder revalidatiebeperkingen.
Het resultaat van de ingreep is even goed als bij de open techniek,
zolang er geen benige avulsies zijn van het anterieure glenoïed.
|
Principe |
| |
Deze patiënten hebben een strikt
immobilisatiebeleid.
Een adductieverband wordt onmiddellijk postoperatief
gedragen. De arm mag niet afhangen, pendelen mag niet en de arm mag
niet geëxoroteerd worden. Slechts beperkte abductie en beperkte
elevatie is toegelaten voor het dagelijks toilet, maar dit steeds in
ondersteunde positie. Deze restricties zijn noodzakelijk gedurende
de eerste twee weken na een operatie. Pas dan is het litteken
minimaal geheeld. Tussen de 3e en de 6e week worden nog steeds
restricties naar exorotatie toe ingebouwd. De restrictieperiode is
na 6 weken grotendeels voorbij ( litteken pas dan voldoende
belastbaar ) en dan kan er met de revalidatie gestart worden.
Actieve oefeningen van elleboog, pols en hand dienen wel
postoperatief gestimuleerd te worden. |
| |
Oefenschema week 1 en 2 |
|
|
- Strikte
immobilisatie
- Adductieverband
- Arm continu
ondersteunen, arm niet laten afhangen
- Geen exorotatie
- Slechts beperkte
abductie en beperkte elevatie toegestaan voor dagelijks toilet
- Oefeningen voor
cervicale wervelkolom en houdingscorrectie
|
|
|
Week 3 en 4 |
|
|
- Actieve elevatie
tot 90° worden toegelaten met de arm in volledige endorotatie
|
|
|
Week 5 en 6 |
|
|
- Draagdoek mag
achterwege gelaten worden en de kinesitherapie wordt gestart
- Nog steeds bestaat
de restrictie naar exorotatie toe
- Strikt verboden
exorotatie te geven voorbij de neutrale stand.
|
|
|
Week 7 tot 9 |
|
|
- Actieve oefeningen
elleboog, pols en hand
- Oefeningen voor
cervicale wervelkolom en houdingscorrectie
- Actieve en
passieve mobilisaties van de schouder, flexie en abductie in
endorotatie en exorotaties tot neutrale stand
- Actieve oefeningen
van de scapula
- Isometrische
krachtoefeningen voor de rotator cuff.
|
|
|
Week 10 tot 12 |
|
|
- Actieve
mobilisatie
- Start
oefentherapie met lage weerstand en accent op mobiliteit
- Coördinatie,
stabiliteit scapulothoracaal, normaliseren scapulohumeraal ritme
- Stretchen naar
exorotatie toe
|
|
|
Week 13 en daarna |
|
|
- Optrainen van de
rotator cuff spieren: statisch en dynamisch, excentrisch en
concentrisch, volledige spiercontractieketen met goede verhouding
kracht en uithouding
- Verdere
mobilisaties en stretching tot maximaal de normale exorotatie van
de contralaterale zijde
- Geleidelijk meer
overgaan op meer functionele en sportspecifieke oefeningen
|
|
|