Bron: JBJS 74-A; 1992 : 9 : 892-893 : W. Z. Burkhead, JR., and C. A. Rockwood, JR.
Bij een instabiliteit van de schouder is er een te grote bewegingsvrijheid voorachterwaarts en/of naar onder toe. Dit komt door een overrekken van de gewrichtsbanden tussen humeruskop en schouderkom of ten gevolge van een letsel ter hoogte van andere stabiliserende structuren in het gewricht, zoals het labrum (schouderlip of meniscus) of bicepsanker.
Het schoudergewricht is omgeven door een aantal spieren (rotatorenspieren ; supra- en infraspinatus, teres minor, subscapularis) die bij beweging van het gleno-humerale gewricht (tussen humeruskop en schouderkom), mee de humeruskop in het glenoïed centreren en houden.
Wanneer de gewrichtsbanden te laks zijn en/of de juiste spieren niet op de goede sterkte zijn (onevenwicht in agonisten en antagonisten), bestaat er een gevoel van onzekerheid bij bepaalde bewegingen (die waarbij de arm omhoog gebracht wordt en tegelijkertijd naar buiten gedraaid wordt ). Dit kan in extreme gevallen zelfs lijden tot een ontwrichting of een bijna ontwrichting.
Bij andere patiënten bestaat er een pijnlijk gevoel in de schouder. Dit is te wijten aan een secundaire inklemming van de rotatoren pezen. De abnormale mobiliteit t.g.v. de instabiliteit doet bepaalde pezen inklemmen met bijhorend pijngevoel en functieverlies (secundair impingement syndroom).
- ANATOMIE
- ROTATOR CUFF SCHEUR
- INKLEMMINGS- SYNDROOM
- PEESVERKALKING
- BEVROREN SCHOUDER
- SCHOUDER- PROTHESE
- SCHOUDER- FRACTUREN
- SCHOUDER- INSTABILITEIT
- BICEPS TENDINITIS
- BICEPS SCHEUR
- ACROMIO-CLAVICULAIRE PATHOLOGIE
- ACROMIO-CLAVICULAIRE FIXATIE
- SLAP-LETSEL
- ARTHROSCOPISCHE SUBACROMIALE DECOMPRESSIE
- OEFENPROGRAMMA BIJ SCHOUDERINSTABILITEIT
